EEN VERHAAL VOOR ONDER DE KERSTBOOM

VISITORS

AmazingCounters.com

EEN VERHAAL VOOR ONDER DE KERSTBOOM

Mijn moeder was altijd heel erg trots wanneer ze mij en mijn partner ontwaarde tussen de kerkgangers op kerstavond of met Pasen, als ze deel uitmaakte van het koor dat een aantal bij de gelegenheid passende liederen zou gaan zingen.

Ze attendeerde dan haar medekoorleden op ons, al wijzend waar we zaten.

Na afloop van de dienst hadden we dan met haar - en haar goede vrienden Henk en Alie Winter - ergens een kopje koffie of zo. Henk en Alie waren ook ex-collega’s van mijn ouders uit de Leger des Heils periode.

Zingen van allerlei psalmen, met of zonder koor, was haar lust en haar leven. Haar hele leven lang zat ze wel in een of ander kerkkoor of was ze, in de Leger des Heils periode, samen met mijn vader op pad door heel het land en dan zongen ze op de hoek van de straat of in een kroeg of in de buurt van een bordeel hun religieuze liederen, terwijl mijn moeder het geheel met de gitaar ondersteunde.

Haar favoriete radioprogramma was - ook nadat zij het Leger had verlaten - het Leger des Heils kwartiertje van de NCRV, dat vroeger wekelijks op de radio viel te beluisteren.

Dit radioprogramma heeft er tevens toe bijgedragen dat ik dat soort brass muziek ook ben gaan waarderen.

Toen mijn vader was overleden, heeft zij tijdens zijn uitvaartdienst in de kerk solo mijn vaders en ook haar favoriete gezang: “Schoon Hemelland niet ver van hier” ten gehore gebracht, zonder enige hapering.

Als ik in een beetje mallotige bui ben, dan imiteer ik dat nog wel eens.

Waarom mijn moeder zo in de Heere was, is mij niet echt duidelijk. Ze stamt uit een familie die weliswaar godsdienstig was maar dan meer op papier.

Haar moeder was katholiek en haar vader - voor zover ik weet - was hervormd. En, “Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen”.

Tot veel slapen zal het bij haar ouders bepaald niet zijn gekomen. Niet zozeer door de eventuele aanwezigheid van de duivel of omdat ze hele nachten lagen te discussiëren over het geloof - ik heb ze zich nooit erg druk horen maken over het geloof - maar meer omdat ze vooral bezig waren met gezinsplanning.

Mijn moeders moeder en haar man zetten 16 kinderen op de wereld. Daarmee ontstond kun je wel zeggen “de Heijgen dynastie”. Deze dynastie omvat inmiddels misschien wel 100 tot 150 personen.

Vaak zie je dat, zodra een vrouw zwanger is geweest en een kind heeft gebaard en het fraaie lichaam zijn werk heeft

gedaan, een vrouw niet meer in staat is haar mooie lijnen terug te krijgen. Ik heb veel bewondering voor vrouwen die dat wel lukt, zoals Maxima, onze dierbare koningin. Deze is voor mijn broer Theo.

Oma Heijgen baarde dus 16 kinderen en had bovendien nog een paar miskramen er tussendoor, zo is mij verteld. Desondanks had zij altijd - uitgezonderd gedurende de vele perioden van zwangerschap - tot op zeer hoge leeftijd een figuurtje als een slanke den. Er zat nooit een onsje vet teveel aan. Zij was een heel spichtig vrouwtje met veel droge humor. Tijdens familiebezoek, en dat vond met zoveel kinderen en kleinkinderen dagelijks plaats, zat ze veelal wat achteraf bij de haard in de nette kamer.

Opa Heijgen was daarentegen een gezet mannetje met een uitgesproken mening en een goed doorkomende stem. Beroepshalve kwam die stem hem goed van pas want hij was stationschef op het Centraal Station Utrecht.

Opa’s lievelingsplek in huis was zijn plaats aan de tafel in de eetkamer. Aan deze eettafel vond het gehele sociale verkeer plaats. Hieraan werd vurig gedebatteerd, gekaart, gedronken en gerookt.

Opa had meestal het hoogste woord en slechts zelden durfde iemand hem tegen te spreken, behalve omaatje, die in het heetst van het debat vanuit de andere kamer met een

krakend stemmetje liet weten dat zij er heel anders dan opa over dacht.

Vrijwel iedere zaterdag zocht ik mijn opa en oma op in de Nicolaasdwarsstraat in Utrecht. Alvorens naar het centrum te lopen, zocht ik eerst thuis mijn kleding voor een dagje uitgaan uit.

Vaak was dat een spijkerbroek met een wit T-shirt, zwarte Clarks, zwarte broekriem, een zwart giletje en een spijkerjack.

Via de Koningsweg, Gansstraat en het Ledig Erf, ging ik veelal eerst naar mijn opa Plomp in de Groenestraat, een zijstraat van de Lange Nieuwstraat.

Opa Plomp woonde in een bovenhuis en was een enthousiast duivenmelker. Hij zat hele dagen op het dak van zijn huis met duiven te communiceren, die af en aan vlogen.

Om de duiven binnen te lokken zat hij zelf als een duif in de dakgoot te koeren.

Zo nu en dan kocht en verkocht hij duiven en daar verdiende hij wat geld mee. Als hij niet op het dak zat, dan zat hij zomer en winter op zijn vaste stoel naast de potkachel in de huiskamer. Hoewel hij goed kon communiceren met zijn duiven, moest je de woorden uit zijn mond trekken als je eens met je grootvader wilde bijpraten. Het gesprek wilde ook al niet vlotten omdat hij tamelijk doof was. Het enige

wat er zo nu en dan wel uit zijn mond kwam was een straal sap van een kees pruimtabak, waarop hij langdurig had zitten kauwen. Hij was een meester in het exact doen verdwijnen van die straal sap in een achter de kachel opgesteld blik, zijn “spuugblik”. Dit blik was een conservenblik, dat meestal bijna vol zat met dit goedje. Geen gespreksmogelijkheden en een straal van dat smerige spul dat te pas en te onpas door de lucht vloog, gaven zelden aanleiding om me lang op te houden in de Groenestraat en dan spoedde ik me meestal naar mijn favoriete opa en oma Heijgen.

Nog afgezien van het feit dat het altijd heel plezierig vertoeven was bij deze opa en oma - er was altijd wel een kom soep of iets anders te consumeren -, was het op zaterdag altijd weer spannend te zien wat opa op de spoorwegverkoping had ingeslagen. Deze verkoping vond iedere vrijdag plaats ergens in de buurt van de Nieuwe Gracht. De grote tafel in de eetkamer was altijd afgeladen met spulletjes die hij daar voor een prikkie had gekocht. Dit waren allerlei zaken die passagiers in de trein hadden achtergelaten en niet hadden afgehaald.

Dat waren niet alleen paraplu’s en koffers en dergelijke, maar ook boeken, een fototoestel, een gehoorapparaat, brillen, kleding, schoenen enzovoort.

Op de eettafel was dus van alles uitgestald en wie op zaterdagmorgen het eerst binnen viel, had de ruimste keuze. Vooral de brillen vonden gretige aftrek. Men zette de bril simpelweg op de neus en stelde vast dat men beter zag dan voordien en de zaak was beklonken.

Zelf heb ik er een toentertijd zogeheten ziekenfondsbril bemachtigd en - gelijk de bril van John Lennon - de glazen vervangen door zonneglazen.

Bij eerdere gelegenheden had ik al eens, als eerst binnen gekomene, een damesbontjas - voor op de Tomos - meegenomen, het zwarte giletje dat ik regelmatig droeg en later een bijpassend buikhorloge.

Op die tafel heb ik ook wel eens een korset gezien. Kennelijk had een dame gedurende een treinreis de beknelling van dit kledingstuk niet langer kunnen verdragen en het - in Joost mag het weten wat voor een omstandigheid - uitgetrokken.

Ik wil het gebruik van de naam Joost in dit boek verder zo veel als mogelijk vermijden, want de partner van mijn dochter heet zo. Het zou die jongen alleen maar verwaand kunnen maken, indien je steeds aan zijn kennis refereert en - in het pikante geval van het korset - een bodem kunnen leggen voor een twistgesprek tussen hem en mijn dochter en dat wens ik hem op de allerlaatste plaats toe.

Bovendien verwijst de naam in dit verband ook nog eens

naar de duivel. Uiterste voorzichtigheid geboden dus met het gebruik van de naam Joost.

Op de tafel van opa heb ik ook regelmatig een compleet kunstgebit aangetroffen en wel eens meegemaakt dat één van de familieleden zo’n exemplaar in zijn mond stak, waarna hij er met een nieuwe “big smile” vandoor ging. Zo viel er voor een ieder wel wat te halen.

In zo’n omvangrijk gezin als dat van mijn opa en oma is het vrijwel ondoenlijk om de kindertjes allemaal met veel individuele aandacht en liefde groot te brengen, schat ik zo in.

Grotere kinderen moesten kleinere kinderen helpen en hadden zodra dit mogelijk was een taak in het huishouden. Er waren allerlei klussen te doen zoals: koken, de was doen, kleding verstellen, schoenen lappen, die alle binnenshuis afgewikkeld werden.

Later behielden de 3 broers en 13 zusters een zeer sterke band met elkaar. Mijn ouders brachten vrijwel ieder vrij uurtje door bij de familie en vooral bij opa en oma Heijgen aan de Nicolaasdwarsstraat, schuin tegenover het Centraal Museum.

Hoe het met de andere directe afstammelingen van dit 16-tal is gesteld, weet ik niet precies, maar de Heijgens kenmerkten zich door een hoge mate van eigenwijsheid, een

mening over alles en iedereen. Ze waren zeer vasthoudend en als je als aangetrouwde daar tegenin ging, kreeg je de hele familie over je heen.

Opa Heijgen is bijna 77 jaar geworden. Oma ruim 82 jaar. Haar begrafenis was voor Tolsteeg en omgeving een unieke gebeurtenis. De familie had namelijk besloten oma’s gehele geldelijke nalatenschap in haar begrafenis te steken. Dit hield onder meer in dat alle kinderen en kleinkinderen in volgauto’s van haar huis aan de Nicolaasdwarsstraat naar haar laatste rustplaats: de Algemene Begraafplaats in Bunnik getransporteerd zouden worden. Aldus geschiedde. Een eindeloze stoet rouwwagens zette rond het middaguur van een zomerse dag eind juni 1975 koers richting Bunnik via de rotonde bij het Tolsteeg over de Gansstraat en de Koningsweg.

De rouwstoet moet zo lang zijn geweest dat, terwijl de lijkwagen de begraafplaats reeds opreed, de laatste volgauto de Nicolaasdwarsstraat in Utrecht pas uit reed.

Diezelfde avond sprak ik een vriend die me vertelde dat hij die dag iets waanzinnigs had meegemaakt en wel dat hij omstreeks het middaguur op het Tolsteeg op werd gehouden door een begrafenisstoet. Hij beweerde dat hij ruim een half uur heeft moeten wachten voordat de stoet voorbij was en de rotonde weer vrijgegeven werd.

Mijn moeder was een duidelijke Heijgen representant. Ze was altijd heel strijdvaardig en

nooit te beroerd om haar mening te laten horen, tegen wie en waar dan ook. Haar kritische blik was bijna vermaard. Dat viel niet altijd in goede aarde. Ik vrees dat ik ook iets van dat alles heb meegekregen, maar ik ben gelukkig altijd in staat geweest om me diplomatiek op te stellen en om me dienovereenkomstig uit te drukken, getuige ook de inhoud van dit boekje.

De relatie met mijn moeder is lange tijd zeer moeizaam geweest. Pas toen ik definitief het huis uit was, begon ik sympathie voor haar te voelen en begrip te krijgen voor het feit dat zij het bepaald niet makkelijk heeft gehad.

Dat we tot dan geen warme band hadden, kwam omdat ze me - op jonge leeftijd - regelmatig alleen liet staan en in belangrijke situaties niet steunde of beschermde

tegen “de boze buitenwereld” en dat er van tonen van liefde voor mij al helemaal geen sprake was. Van de kant van mijn vader was het eigenlijk niet anders gesteld.

Het zou heel anders zijn geweest als mijn moeder ook maar een heel klein beetje getoond had van dat van een Antilliaanse moeder. Zo’n moeder die als een leeuwin door dik en dun haar zoontje beschermt en zo nodig haar leven daarvoor opoffert en absoluut niets negatiefs over haar

zoontje wil horen, ook al is het een rasboef.

Het vreemde is dat mijn moeder wel heel betrokken was met andere kinderen in haar Leger des Heils periode. Legio foto’s heb ik gezien dat ze kinderen in weeshuizen in haar armen koesterde en met overgave verzorgde. Ze zal wel gedacht hebben: “Vergeleken met de aandacht die ikzelf vroeger heb gehad, hebben die kinderen van mij eigenlijk niets te klagen”. Ik neem haar dan ook niets kwalijk.

Na de dood van mijn vader, werd de band met mijn moeder steeds beter. We hebben veel plezier met haar gehad. Ze kon er heel goed tegen dat ik haar regelmatig plaagde, vooral met haar geloof. Ze had immers al heel lang geleden opgegeven dat ik ooit nog iets zou hebben met waarin zij zo heilig geloofde.

Ik kan me nog heel goed herinneren, toen ik in haar ogen volkomen van God los was, dat ze me ieder jaar weer attendeerde op de aanstaande “EO jongeren dag” en dat daar zoveel leuke jonge mensen op af kwamen.

Jammer dat ik haar nooit het plezier heb kunnen doen om daar eens te verschijnen.

Als er van die leuke mannelijke jongeren als onze Arie Boomsma op zo’n “EO jongeren dag” afkwamen, zullen er vast en zeker ook wel dito vrouwelijke jongeren in groten getale acte de présence hebben gegeven.

In onze jeugd waren Charles en ik - Theo, het cadeautje van God, was wat vromer uitgevallen in die dagen - zeer actief bezig om onze christelijke carrière zo kort mogelijk te maken, tot groot verdriet van mijn moeder. Zondags werden we geacht de bijeenkomsten op de zondagschool te bezoeken, daarvoor kregen we ook wat collectegeld mee. We hebben die zondagschool, ergens naast een hervormde kerk in de buurt van de Adriaen van Ostadelaan, slechts een paar keer bezocht.

We werden bij het tweede bezoek vriendelijk doch dringend verzocht niet meer terug te komen omdat we steeds onder de bijbelvertellingen zaten te vloeken.

Het collectegeld hebben we nog maandenlang - slechts op weg naar deze instelling - uitgegeven in een bekende cafetaria in de buurt van de zondagschool.

Op latere leeftijd - kerstavond 1974 - hebben Charles en ik de start van hetgeen een vrolijke en vrome kerst had moeten worden, voor mijn ouders enigszins verziekt, door de opmaat naar de viering van de geboorte van het kindeke aan te vangen met het afstemmen van de TV op de speciale VPRO kerstshow van Sjef van Oekel.

Mijn ouders - de arme zielen - waren al lang blij dat hun twee rebelse zonen in hun kerstviering participeerden. In deze aflevering van Sjef van Oekel werden zij, of ze het

wilden of niet, mede getuige van het optreden van ene “dominee Bongers van het jeugdpastoraat” die gedurende de hele uitzending, die zoals gebruikelijk zeer chaotisch verliep, probeerde een stichtelijke kerstboodschap aan het adres van de jongere TV kijkers uit te spreken. Echter dat viel hem steeds lastiger omdat hij de uitzending lang aan de jenever was en uiteindelijk te dronken was om nog een zinnig woord uit te brengen. Onderwijl was Sjef van Oekel zo dronken dat hij tussen de kerstbomen liggend de fietstas aan de fiets van ingenieur Evert van der Pik aan het vol kotsen was. Aan het einde van de show roept onze dominee vertwijfeld uit: “Verhip ik moet nog een kerstnachtmis leiden zo dadelijk”.

Charles en ik hebben krom gelegen van het lachen. Mijn ouders keken heel zuur - ze konden natuurlijk niet anders op grond van hun christelijke overtuiging - maar het zou me niet hebben verbaasd als zij ook, weliswaar niet voor ons zichtbaar, hebben moeten lachen: zij waren inmiddels door ons ook wel het een en ander gewend.

Mijn moeder had al geruime tijd een bungalow op camping Het Grote Bos te Driebergen. Later kochten wij er ook één, vlak naast die van haar.

Aan het begin van het weekend haalden we haar altijd op als ze ook naar het bos wilde gaan.

Ze belde me dan altijd even op om te informeren of ik nog

een paar spulletjes kon meenemen voor haar.

Ik deed dan altijd een beetje plagerig door te zeggen dat we niet al te veel ruimte hadden in de auto. Als we dan in het Lodewijk Napoleonplantsoen arriveerden, stond ze op de stoep al klaar met haar hondje en een halve straat vol met oude spullen, die ze in de loop van de week op verkopingen enzovoort had verzameld.

Haar huisje in het bos stond reeds tot de nok toe gevuld met soortgelijke spulletjes en toch zag ze nog kans er een nieuwe voorraad aan toe te voegen.

Mijn moeder is wel een stuk ouder geworden dan mijn vader, maar niet echt oud. Ze stierf in 1990 op 75-jarige leeftijd, eveneens aan de gevolgen van de “gevreesde ziekte”. Ze had dit jaar 100 kunnen worden.

Dokter Scheurwater, haar huisarts, had tijdens een onderzoek vastgesteld dat er iets mis was met haar maag en haar voor verder onderzoek doorverwezen naar een specialist. Het heeft misschien een half jaar geduurd voordat het afgelopen was in maart.

Terwijl ze ziek was, heeft ze nog deel uitgemaakt van het koor tijdens de kerstzang.

Hoe sterk de band met haar zusters was, bleek nog eens duidelijk toen haar twee zusters Aafke en Mientje de laatste weken van haar ziekbed niet van haar zijde zijn geweken en

tot en met haar begrafenis haar verzorgd hebben.

Uit respect voor mijn moeder zal ik dit jaar een maaltijd schelvis met bietjes met mosterdsaus consumeren.

Ze zal het mij wel vergeven dat ik ervoor zal zorgen dat er absoluut geen graat in zit.

EINDE

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/

Copyright © All Rights Reserved