DYNAMISCH RUSTEN IN HET LICHT VAN DE BIJBEL

VISITORS

AmazingCounters.com

DYNAMISCH RUSTEN IN HET LICHT VAN DE BIJBEL

Het Grote Bos was en is een camping gelegen op de Utrechtse Heuvelrug aan de Oude Arnhemse Bovenweg, zo ergens op de grens tussen Doorn en Driebergen.

Hoewel er tegenwoordig wordt beweerd, althans door de eigenaar “Recreatiecentra Nederland BV” (RCN), dat het een professioneel geleid bungalowpark is, heeft het heel veel van zijn oude muffe Nederlands-Hervormde waarden weten te bewaren. Hierover later meer.

Met dit stukje natuur aan de rand van Doorn heb ik al tientallen jaren een haat-liefde verhouding en het zal de lezer gaandeweg duidelijk worden waarom.

Toen we voor de eerste maal in HGB arriveerden, zomer 1952, was het een mooi bos met zandvlaktes en er kampeerde slechts een handjevol mensen.

Er was een centraal verkooppunt waar je wat eerste levensbehoeften kon kopen, zoals brood, melk, pap en dergelijke.

Ene Rijks zwaaide er de Nederlands-Hervormde scepter en dat deed hij met verve. De N-H kerk was toentertijd eigenaar van het bos. Deze Rijks hield de kamperende zieltjes goed onder zijn Christelijke duim. Hij heeft zelf ooit ook een boekje uitgegeven: “Dynamisch rusten, in het licht van de Bijbel”. Nou dan weet je ongeveer wel met wat voor

een individu we hier te maken hebben.

Zonder dat ik het boekje gelezen heb, zal de inhoud er wel op neer komen dat er duidelijk aangegeven wordt hoe “Jan de Arbeider” door inspanning op het bos zich kan ontspannen binnen de regeltjes van de “Heilige Schrift”. Zo’n boekje zou je toch niet in je boekenkast willen laten aantreffen. Ik hoor mijn vrienden al zeggen: “Jezus, Bert, wat lees jij tegenwoordig voor een ****?”.

Net zoals mijn boekje nooit een bestseller zal worden, zal zijn boekje nooit een bestseller zijn geweest. Ik heb het zelfs niet bij De Slegte in de aanbieding zien liggen.

Maar in tegenstelling tot zijn boekje zal de titel van mijn boekje nog menigeen nieuwsgierig maken, vooral omdat er prikkelende stukjes over Het Grote Bos in staan.

Onze Christelijke leider had bepaald een onsympathiek voorkomen, dat het midden hield tussen het voorkomen van Fidel Castro en dat van een willekeurige gevreesde kampcommandant. Hij liep ook altijd rond in een paardrijbroek van het “type Göring” met dito laarzen en hemd met opgestikte zakken. Daarbij kwam dat hij ook nog eens een glazen oog had, wat dat onsympathieke beeld nog extra versterkte.

In zijn rechter hand hield hij altijd een zweepje, terwijl er geen paard in de verre omtrek te bekennen was.

Dat zweepje leek wel vergroeid te zijn met die hand en daarmee leek hij ieder moment ook te willen toeslaan.

Op het bos heerste de ijzeren regel dat alle activiteiten uiterlijk om 22:00 PM “sharp” gestaakt dienden te worden en dat iedereen, groot en klein, om 23:00 PM onder tentzeil was ten einde een aanvang te maken met de nachtelijke invulling van het “Dynamisch rusten, in het licht van de Bijbel”.

Vanaf dat tijdstip trok onze grote leider zelf het bos door om zich er persoonlijk van te vergewissen dat zulks bij een ieder het geval was.

We hebben het eens op een avond meegemaakt, terwijl de avondklok al was ingegaan, dat we met de buren van de tent naast ons “in het licht van de stormlantaarn” dit maal, nog op christelijke wijze voor de tent de dag zaten te evalueren, toen deze met zichzelf zeer ingenomen mafkees plotseling als een zombie uit het duister in het licht sprong en mijn ouders de les begon te lezen.

In de tijd dat het aantal kampeerders begon toe te nemen en hij het niet meer in z’n eentje af kon om het “Dynamisch rusten” af te dwingen, rekruteerde hij een aantal geestverwanten, die met hem na 23:00 PM het terrein afstruinden op zoek naar zondaars.

Deze mannelijke geestverwanten waren veelal door hun

vrouwen of op andere wijze gemarginaliseerde typetjes, die er bovendien niet vies van waren om plotseling op het meisjeskamp een tent open te rukken in de hoop daar een andersoortig “dynamisch rusten” te mogen aanschouwen. Op zo’n avond, nadat de spertijd was ingegaan, vertoefde ik in een tent op het meisjeskamp en wel in het gezelschap van een Haags vriendinnetje, Joan geheten. Met Joan had ik al een aantal jaren in de zomer omgang. Zij was vrij lang en slank, had bruine ogen en ze had heel lang donker bruin haar, ze had iets weg van een blanke Indiaanse. Boven al dat moois, rook ze ook nog eens verrukkelijk. Haar kleding waste ze zeer regelmatig met gebruikmaking van een waspoeder dat meehielp die lekkere geur te verspreiden. In die dagen waste mijn moeder thuis overigens nog met groene zeep, als ik me niet vergis.

Rekening houdend met het feit dat Rijks’ handlangers hun ronde aan het doen waren, had ik het behaatje van mijn vriendin omgedaan: ze had het die nacht toch verder niet nodig.

Mijn haar was weliswaar niet half zo lang als dat van haar, maar op het eerste gezicht kon je de indruk krijgen dat er twee meisjes lagen in die tent.

En inderdaad, kennelijk had ook onze bijzondere opsporingsbrigade er lucht van gekregen dat de bewuste

tent door een alleraardigst heerlijk ruikend meisje werd geoccupeerd. Dus rits, de tent open: resultaat twee meisjes in aandoenlijke rust. Zelfs “éénoog”, op afstand meeglurend, kon niet anders concluderen. In die tijd ging men er kennelijk nog niet vanuit dat ook meisjes met elkaar zondig bezig konden zijn.

Thans, al jaren wonend in Ierland, ben ik omgeven door alleen maar lieve bruinogige meisjes. Ik ben altijd gek geweest op bruinogige meisjes. Tezamen tellen mijn meisjes vijf bruine ogen, niet omdat er één oog ontbreekt of dat er ook hier een glazen oog in het spel is, neen, dat is omdat Maggie - één van onze beide border collies - één bruin en één blauw oog heeft. Met dat blauwe oog heeft ze altijd een speciaal oogje op mij en kan ze mij heel koel aankijken.

Onze kampbeheerder had in de loop der jaren een hele groep hielenlikkers om zich heen verzameld. Je hebt altijd van die mensen die tegen zo’n leidend figuur opzien en hem dan gaan vleien in de hoop dat ze met hem gezien c.q. geïdentificeerd zullen worden.

Het was op gegeven moment de man zo naar de kop gestegen door al die vleierijen, dat hij een jaarlijks wederkerende “Rijksdag” instelde.

Op die feestelijke dag kon het campingvolk zijn held toejuichen en vereren. Deze dag kreeg veel weg van een

Koninginnedag met bijbehorend defilé.

Eén van die jaren liet hij zich, als startpunt van de festiviteiten, per helikopter op het sportveld in het bos, te midden van het massaal toegestroomde volk, droppen om aldaar geland alle goede wensen in ontvangst te nemen. Het leek wel een omgekeerde Hemelvaartsdag.

Veel van die aanhangers kwamen direct of indirect voort uit Bijbel studiegroepjes. Deze groepjes bestonden bijna altijd uitsluitend uit mannen, net als bij die Koran studiegroepjes. Vrouwen zijn natuurlijk te zondig om deel uit te kunnen maken van zulke groepjes heilige studiehoofden. Mijn vader heeft ook ooit de fout gemaakt aan die groepjes deel te nemen.

De geestelijk leider, opererend binnen zijn opdracht van de Nederlands-Hervormde Kerk, stelde Durex huisjes - of was het Durox, ik weet het niet meer -, die in de loop der jaren op de camping waren verrezen, beschikbaar voor deze studiegroepjes. Zodat deze vrome mannen met elkaar over allerlei tekstjes uit de Bijbel konden filosoferen. Dit filosoferen moest de richtlijnen van de NH-kerk natuurlijk niet te buiten gaan.

In deze huisjes - het waren eigenlijk niet meer dan wat groot uitgevallen kippenhokjes - hing altijd een wat zure muffe lucht. Met de aanwezigheid van deze mannen, werd

die lucht er bepaald niet minder muf en zuur om.

Al dat gestudeer in die heilige boekjes, van welke oorsprong dan ook, levert alleen maar ellende op.

Je krijgt dan allerlei afsplitsingen: deze legt een tekstje in de Heilige Schrift, of in welk heilig boek dan ook, uit op die manier en een ander weer op een andere manier en uiteindelijk gaan al die neuzelaars elkaar met die boekjes om de oren of nog erger de hersenen in slaan.

Als het daarbij bleef was de ellende nog te overzien, maar inmiddels zijn al miljoenen mensen vermoord op grond van de inhoud of om het verschil in interpretatie van de inhoud van die heilige boekjes.

Het ware beter indien al die volwassen kerels op de vrije zondag, als ze dan toch zo nodig willen studeren, zo’n Zweeds studieboekje met afbeeldingen van “Gezonde blonde Germaanse atletische vrouwen” ter hand namen en een gezond spelletje gingen doen, zoals in mijn jeugd de leden van ons studieclubje plachten te doen.

Er zijn vast nog wel van die boekjes in omloop en anders moet men maar even contact met mij zoeken en zal ik uitleggen waar we ons geheime kistje met boekjes hebben begraven.

Er waren natuurlijk ook wel echt leuke dingen te doen in ons onvolprezen HGB. Ook ten tijde van onze goedheiligman

Rijks.

Kerst, Pasen en dergelijke dagen waren eerst echt leuk toen mijn ouders zich een bungalow op HGB konden veroorloven.

Voordien kwamen we nooit met Kerst, omdat eerst een tent en later een tenthuisje niet geschikt waren om de winterse omstandigheden tijdens een kerstvakantie het hoofd te bieden. Bovendien was het sowieso niet toegestaan dit type onderkomens in de winter overeind te houden. Toen ik een jaar of 14 was, kochten mijn ouders deze stenen bungalow met rieten kap, verwarmd door middel van een oliekachel. Deze bungalow heeft in mijn tienertijd een belangrijke rol gespeeld waar het om mijn liefdesleven ging.

Het was begin zestiger jaren dat we ook met Kerst op HGB verkeerden.

Met een aantal vrienden, vooral vrienden van mijn oudere broer Theo, hadden we de beschikking gekregen over een deel van de kampwinkel, alwaar we een soort disco hadden ingericht. Veel visnetten, schaarse verlichting, posters en dergelijke, kortom een sfeer gelijk vele beatkelders in het centrum van Utrecht van die tijd.

Hier werd, onder het luid afspelen van de eerste singles van The Beatles en The Stones, geswingd en voorzichtige toenadering gezocht tot vertegenwoordigsters van het andere geslacht, voor zover aanwezig.

Meestal waren we maar met 5 tot 10 jongens en meisjes daar, maar de sfeer was geweldig. Buiten lag er sneeuw, binnen was het niet echt warm maar de oliekachel bood een aangenaam punt om even op te warmen, als dat al nodig was na een fiks partijtje twisten en shaken.

In de zomer werden er allerlei sportieve activiteiten georganiseerd zoals voetbal- en volleybaltoernooien.

Er werden ook prachtige bioscoopfilms gedraaid in een afgeladen grote zaal van Het Grote Bos, terwijl er buiten regelmatig een zwaar onweer woedde en het bliksemde en donderde. Dan kwamen films zoals “Gone with the wind”, “Fernandel” en “High noon” pas extra tot hun recht. Er werden frequent dansavonden georganiseerd, kampvuren met veel gezang, optredens van muzikanten en er werden spannende verhalen voorgedragen.

Gedanst werd er op het grote plein. Vooral volksdansen met daar tussendoor wat plaatjes van The Stones en van The Beatles, waarop jongens zoals ik met al dan niet reeds veroverde meisjes pas in beweging kwamen.

Broer Theo daarentegen was meer van het volksdansen. Hij was dan ook enthousiast lid van de “Boshoppers”: de volksdansgroep van de camping.

Ik kon me in dat huppelende volkje in ‘t geheel niet vinden. Er zaten trouwens ook bijna alleen maar lelijke meiden bij.

Al die leuke activiteiten werden georganiseerd door de recreatieleider, niet zijnde de almachtige leider van het kamp: Rijks.

Een recreatieleider was een soort “Yellow-Coat” zoals in de Engelse comedy serie “Hi-de-Hi” te bewonderen valt. Waarbij ik de serie en de “Yellow-Coats” tekort zou doen wanneer ik hierbij niet direct opmerkte dat het op het recreatiepark van de BBC-serie toch vele malen leuker toeven was dan op HGB en dat de “Yellow-Coat”-meisjes er oneindig veel interessanter uitzagen dan onze HGB-recreatieleider en zijn assistenten. Eén recreatieleider in het bijzonder heeft heel lang stand weten te houden en heeft heel goed gepresteerd op onze camping, tot bleek dat hij zijn recreatieopdracht wat al te ruim interpreteerde door vooral jonge “onschuldige” jongetjes in zijn houten huisje in het bos nog eens privé te recreëren. Ofschoon de heilige leiding in HGB van die dagen al geruime tijd op de hoogte bleek te zijn van deze exclusieve activiteiten, werd het heel lang onder de Christelijke pet gehouden.

Hoewel deze recreatieleider heel veel positiefs heeft gedaan, kun je zoiets met de beste wil van de wereld niet meer goed maken, ook al zou je je verder gedragen als de Messias.

Even terzijde: De persoon in kwestie ging er prat op dat hij veel van kunst wist. Zo gebeurde het dat hij eens te gast

was in onze bungalow, alwaar wij boven de open haard een icoontje hadden hangen.

De kunstkenner herkende direct dat het hier om een bijzonder stukje kunst ging.

Wijdbeens voor de haard staand met z’n armen over elkaar geslagen, zei hij: “Bert, dat is een waardevol icoontje dat je daar hebt hangen”.

Jammer voor hem, kon ik de verleiding niet weerstaan hem direct uit te leggen hoe wij beslag hadden weten te leggen op dit kostbare stukje heilige kunst.

We hadden een aantal jaren eerder gemeend, naast de gebruikelijke wereldse kerstcadeautjes te kopen voor onze dochter, haar ook iets stichtelijks te schenken. Op de speelgoedafdeling van V&D vonden we een soort icoon bouwpakketje, bestaande uit een houten plankje, een heilige beeltenis op een soort cellofaantje, die op dit plankje bevestigd diende te worden, en een flesje met bijtende vloeistof, waarvan de inhoud over het gehele lijstje uitgesmeerd diende te worden teneinde het een antiek karakter te geven. Nadat hij deze uitleg had aangehoord, wijzigde hij zijn aanvankelijke wijdbeense houding in een meer “gekruiste benen” houding, alsof hij zojuist een trap in zijn kruis had ontvangen.

Na de periode Rijks, arriveerde ene Kuilenburg op HGB.

Kuilenburg was meer een kantoormannetje, die zijn vazallen vanachter z’n bureau in het hoofdkantoor - het werd hoofdkantoor genoemd terwijl er geen ander kantoor aanwezig was - het bos door dirigeerde.

De beleving in het bos bleef vrijwel identiek, omdat het bos het bos bleef en ook de recreatieleider dezelfde bleef. Ofschoon, de beleving veranderde voor mij toch wel omdat ik onder het regime van deze man, althans in zijn beleving, een aantal keren van het bos verwijderd ben geweest. Maar ik vond de weg altijd wel weer terug via de gebruikelijke achteringang. Ik mocht dan weliswaar geëxcommuniceerd zijn, de rest van de familie niet. Dus onze tent bleef gewoon staan en ik bleef ‘m gewoon gebruiken.

Hierna volgde Cees Otto. Met hem heb ik het ook wel eens aan de stok gehad maar dat was van weinig betekenis. Cees was ook bepaald geen despoot, zoals zijn voorgangers. Daar kwam ook bij dat ik inmiddels al lang geen opstandige teenager meer was. Cees en ik hadden ooit slechts één noemenswaardig conflict. Bij onze bungalow stond ooit een overhangende naaldboom, waarvan ik vreesde dat hij vroeger of later om zou gaan en ons dak zou treffen. Het hoofd van de technische dienst in die dagen had ik al meerdere malen gevraagd iets aan die situatie te doen. De man gaf echter nooit thuis. Het was ook weer zo’n type met

wie ik niet uit de weg kon, zal ik maar zeggen. Hij had ook een bijzonder onsympathieke kop. Een kop gelijk een lelijke uitvoering van Hannibal Lecter. Toen het te lang ging duren besloot ik, zoals ik gewoonlijk pleeg te doen, het heft maar in eigen handen te nemen en de boom zelf om te leggen.

De beste tijd om zoiets in HGB te doen, meende ik, was wanneer op een willekeurige zondagmorgen na 10:00 uur AM het christelijke volk zich verenigde in de grote zaal van HGB voor de kerkdienst.

Voorafgaande aan de dienst werden de gelovigen - alle seizoenen van het jaar - opgeroepen zich naar de godsdiensttempel te spoeden door langdurig klokgelui.

Bij dit gebouw bevond zich namelijk de bosklok, geplaatst op een heuveltje, en daar stond iedere zondag rond die tijd een of andere maniak zeker een half uur lang als een bezetene aan die grote bel te rukken. Zodoende kon er van lekker uitslapen, na een avondje uit, nooit echt sprake zijn voor ongelovigen of voor gelovigen die het met de Leer niet zo nauw namen. Toen op de bewuste zondagmorgen, naar mijn inschatting, de godsdienstoefening behoorlijk op stoom was gekomen, brak voor mij het moment aan de kettingzaag aan de stam van de gewraakte boom te zetten. Na enig zaagwerk begon de boom zich in de gewenste richting neerwaarts te bewegen. De boom was evenwel toch veel

zwaarder dan ik vooraf had ingeschat. Toen de boom de grond geselde, bracht dat een schokgolf teweeg, waarvan menig seismoloog zou watertanden. De aldus in gang gezette aardschok, eenmaal de bosklok bereikt hebbende, gaf een enorme ruk aan de bel, waartoe onze fanatieke beller in zijn beste dagen nooit in staat zou zijn geweest, zelfs niet op kerstavond.

De op dat moment in diep gebed verzonken gelovigen werden daarin door het onverwachte klokgelui ruw verstoord. De aanstichter van dit kwaad werd nog diezelfde dag, wat heel ongebruikelijk was op de dag des Heren, gemaand om zich met spoed op het kantoortje van de bosmanager te melden. De heer Otto kon dit kwaad natuurlijk niet ongestraft laten en legde een boete van 100 gulden op voor het ongeoorloofd omzagen van een boom. Omdat ik niet bereid was een boete te betalen, kwamen we overeen dat ik dat bedrag aan een goed doel zou schenken. Aldus geschiedde. Het bedrag stortte ik ten slotte op de rekening van een ideële organisatie, die zich vooral inzet voor het opnieuw in omloop brengen van oude natuurtijdschriften met zekere zwartwit afbeeldingen van atletische dames uit de regio Scandinavië.

Zoals ik reeds meldde, was er op zondagmorgens weinig kans op uitslapen. In de zomer of op zondagen dat het weer

aangenaam was, was dit nog een graadje erger. HGB kende in die tijd namelijk ook nog een Openlucht Theater. Ik heb die benaming, voor wat je op die plek aantrof, altijd een pretentieuze benaming gevonden.

Het Theater bevond zich rond een vennetje in het bos, waarbij aan de ene kant van het water handig gebruik was gemaakt van een natuurlijk hellinkje, door er met boomstammetjes een soort zittribune van te maken en aan de andere kant van het water - het was meer een droog gevallen greppel - was een tegelvloertje gelegd en een opberghokje getimmerd. Dat tezamen heette een Openlucht Theater te zijn.

Gezien het normale gebruik ervan, leek mij de naam Godsdienstkuil of Gemeenschapskuil meer op z’n plaats. Maar ja die eerste benaming ligt bij gelovigen denk ik niet zo lekker in het gehoor en die tweede roept waarschijnlijk wel heel verkeerde beelden op. En er was tenslotte ook al een kampvuurkuil. Het was niet eenvoudig een passende naam te geven aan zoiets.

Dat er op droge zomerse zondagen helemaal geen sprake kon zijn van uitslapen, kwam doordat de kerkdiensten dan in de openlucht gehouden werden en wel in dit Openlucht Theater.

Op zo’n zondagmorgen werd er dan aan de ene kant van het

bos langdurig de bosklok geluid en begon een tweede godsdienstmaniak - er was in HGB geen gebrek aan zulke lieden - aan de andere kant van het bos, in het Openlucht Theater, gebruikmakend van een zeer zware geluidsinstallatie, allerlei platen te draaien met psalmen en werd de volumeknop op maximum ingesteld. En tussen die twee lawaaibronnen in, ongeveer in het midden, bevond zich ons huisje. De Heer zal op die manier wel wraak hebben willen nemen op onze vroegere al te luide kabaalmakerij in het Lodewijk Napoleonplantsoen met het afdraaien van onze Led Zeppelin platen op een tijdstip dat een goed Christen geacht werd al lang te slapen.

Ene familie Pepermans was doorgaans verantwoordelijk op HGB voor alles wat met geluid te maken had. Volgens mij had vader Pepermans een radiozaakje of iets dergelijks of mogelijk had zijn zoon Hennie - de “platenspeler” in kwestie - ooit met succes een LTS-opleiding radiotechniek weten af te ronden. Hoe het ook zij, Hennie hield ervan om aan de knoppen te zitten - van geluidapparatuur wel te verstaan. Daarom was hij altijd paraat bij kerkdiensten, bij volksdansen, bij opvoeringen en ga zo maar door.

Kortom hij was bij alles present, waar versterking van het geluid gewenst was. Hennie en zijn zus Betty waren lichtende voorbeelden van jonge mensen, zoals onze

bijbelvaste leiding graag jongeren zag opgroeien: echt 100 procent in het licht van de Bijbel. Zij waren de verpersoonlijking van het begrip heilige boontjes.

Ook mijn oudste broer Theo heeft ooit een rolletje van betekenis gespeeld in het Openlucht Theater. Toen het weer eens mooi weer was met Pasen, werd er besloten een Passiespel op te voeren in het Openlucht Theater.

Een aantal leden van de boshoppers, van welke club mijn broer heel lang lid is geweest - te lang naar mijn opvatting -, werd gevraagd deel te nemen aan dit stuk. De sympathieke rollen gingen allemaal naar heilige boontjes, zoals Betty en Hennie, en wie kreeg de rol van Judas? Juist: broer Theo, een jongen die het altijd goed voor heeft gehad met zijn medemens en werkelijk nog nooit een vlieg kwaad heeft gedaan. Het was typisch weer zo’n achterbakse Christelijke manier om ons gezinnetje een hak te zetten. De laatste beheerder die ik op HGB heb meegemaakt was ene Bert Post. Een of ander gesjeesde onderwijzer uit Noord-Holland. Post, hoe komen ze erbij hem de voornaam Bert te geven, was een heel achterbaks manneke oftewel helemaal het type dat voldoet aan het RCN-profiel om leiding te geven aan een camping.

Deze Post profileerde zich vooral door allerlei voor de HGB-bewoners vervelende zaakjes uit te voeren, bijgestaan door

zijn half debiele hulpje in het kwaad de terreinknecht Hannibal Lecter, op tijdstippen dat die bewoners afwezig waren, dus op doordeweekse dagen, wanneer een eerlijk mens aan het werk was.

Post had ook de pik op mij omdat ik in die tijd voorzitter was van de vereniging die de belangen van die bewoners behartigde.

Meergenoemde Lecter struinde, in Post zijn opdracht, regelmatig rond ons boshuisje om voor ons tal van onaangename werkjes uit te voeren.

Ooit gaf deze stoutmoedige beheerder de opdracht aan zijn knechtje om tijdens onze afwezigheid een stapel haardhout bij onze bungalow weg te halen, welke stapel hij na juridische tussenkomt weer moest afstaan.

Dat lelijke hulpje van hem heb ik eens de stuipen op zijn eigen lijf gejaagd, toen ik met een grote bijl hout aan het kloven was en hem mededeelde, toen hij weer eens bij onze bungalow verscheen met een of ander treiterijtje, dat als hij niet gauw opsodemieterde ik er geen moeite mee zou hebben, nu ik toch al lekker bezig was, om “in one go” die lelijke kop van zijn romp te scheiden.

Deze boodschap was kennelijk duidelijk overgekomen, want daarna hebben we ‘m nooit meer gezien. Dat zal ook wel te maken hebben gehad met het feit dat hij kort na deze

gebeurtenis met pensioen ging.

Om zijn baas ook eens te terroriseren, heb ik wel eens overwogen, eveneens op een doordeweekse dag,

‘s nachts wat ruiten bij hem in te gooien, wanneer hij en zijn gezinnetje “Dynamisch aan het rusten waren, in het licht van de Bijbel”.

Doch ik realiseerde mij bijtijds dat achter die ruiten mogelijk een lieve vrouw met een paar lieve kindjes en, nog dramatischer, een lieve viervoeter lagen te slapen.

Omdat we een jaar later naar Ierland emigreerden en wij onze bungalow verkochten, was het probleem opgelost.

Toch was dat niet het einde van mijn relatie met HGB.

Ieder jaar komende van de wintersport, huurden we voor een week een huisje op HGB, alvorens de zeeën weer over te steken naar Kingdom Kerry.

Niet op de eerste plaats was dat om de geweldige service die HGB te bieden had. Die lieden denken nog steeds dat de klanten er voor hen zijn en niet andersom. Het was ook niet vanwege de kwaliteit van de huisjes dat we er terug-kwamen: de zure lucht van voorheen had plaatsgemaakt voor de penetrante lucht van een mengsel van Vim en oude mannenzeik.

Nog 10 jaar hebben we dit patroon voortgezet totdat in februari 2012 we nog eens kennismaakten met dat benepen

klimaat van weleer.

Een aantal dagen voor ons HGB-verblijf had ik een vergadering in Salzburg en verbleven we met onze twee border collies Maggie en Lizzy in een 5-sterren hotel aan de oever van de Salzach. Onze beide viervoeters waren, zoals gebruikelijk in de betere accommodaties, van harte welkom. Bij binnenkomst in de lobby van het hotel renden ze onbekommerd naar mijn collega’s om hen enthousiast te begroeten. Geen enkel probleem.

Komende van Oostenrijk en op weg naar Nederland, overnachten we ook altijd in ons favoriete klassieke hotel in Amorbach. Ook daar en bijna in alle andere betere hotels zijn onze hondjes van harte welkom.

In onze kamer in Amorbach staan altijd bakjes met water en lekkere hapjes op M&L te wachten.

Die winter was het zeer koud en er lag veel sneeuw op de weg en zo ook in HGB.

Nadat we M&L naar de gehuurde bungalow hadden gebracht - we waren één van de zeer weinigen die in die barre tijd van het jaar daar verbleven - gingen we boodschappen doen in Driebergen.

Toen we terugkwamen, kwam daar plotsklaps een individu uit de struiken zetten, die daar kennelijk al enige tijd op de loer had gelegen. Hij had een velletje papier in zijn hand dat

hij mij overhandigde en waarop geschreven stond dat ik me onverwijld moest melden op het kantoor: een handelwijze die me bekend voorkwam uit een despoot HGB-verleden.

De avond van onze aankomst zouden we een etentje hebben bij vrienden en op weg daarnaartoe wipte ik even bij het kantoortje binnen.

Aanvankelijk ging ik ervanuit dat het de HGB-directie waarschijnlijk behaagde om mij een aantal welkom-vouchers te overhandigen voor een gratis pannenkoek of iets dergelijks.

Het tegendeel was echter het geval. Het mannetje van het briefje was, terwijl wij boodschappen aan het doen waren, onze gehuurde bungalow binnengedrongen en had tot zijn schrik vastgesteld dat zich daar twee honden in plaats van één hond, zoals geboekt, bevonden. Jammer dat onze beide collies toen niet hebben gehandeld zoals ze normaal zouden omspringen met dergelijke ongure types.

De administrateur van het kantoortje, handelend naar de instructies van zijn superieuren, verzocht mij de hondjes naar een kennel te brengen of anders terstond het bos te verlaten.

Na hem te hebben toegevoegd dat hij zijn eigen kindjes maar in kennel moest droppen, meldde ik dat ik de volgende dag wel terug zou komen om de zaak verder te bespreken.

Het was immers al 18:00 PM, er lag 20 cm sneeuw, het was ijskoud en we hadden er net 500 kilometer besneeuwde Autobahn op zitten. Zonder zijn commentaar verder af te wachten vertrokken wij de poolnacht in op weg naar het etentje. Toen ik de volgende morgen de administrateur aanbood nog wat extra penningen neer te leggen voor de exceptionele overlast vanwege de tweede viervoeter en hij, die benepen ziel, dat extraatje voor de kas van RCN hooghartig weigerde, eiste ik de vooruitbetaalde huursom terug en verliet nu voorgoed Het Grote Bos.

Wat een brutaliteit van die arrogante minkukels om onze hondjes, met tot diep in hun vacht de geur van frisse oceaanlucht doordrongen, de toegang te weigeren tot die muffe krotten van hen.

Van klantvriendelijkheid hebben ze op HGB nog nooit gehoord, vroeger niet en heden evenmin. Ze hebben nog steeds dat Christelijke belerende gedrag van weleer.

In al die tien jaren dat we toen al in Ierland woonden en terugkomend uit Oostenrijk in de winter daar een huisje huurden, hebben we nog nooit iets gehoord in de sfeer van: “Hartelijk welkom en wat zijn we blij dat U weer de weg naar onze camping heeft weten te vinden en dan nog wel in deze periode van het jaar, waarin we nauwelijks huisjes kunnen verhuren, en kunnen we nog iets extra’s voor U doen etc.”

Neen niets van dat alles. In tegendeel, meestal werd je na een lange vermoeiende reis geconfronteerd met een figuur die zich uitgaf als Administrateur - of zijn kompaan - die een vriendelijkheid uitstraalde die grote gelijkenis vertoonde met die van een Noord-Koreaanse grenswacht, lijdende aan een chronische kiespijn, op een maandagmorgen.

Overigens bij die receptie werken ook enkele vrouwen. Ik moet in dit verband opmerken dat met name de partner van de “administrateur” wél haar best doet om vriendelijk over te komen. Misschien moeten ze haar maar promoveren naar de hoge post van haar man en dan kan hij thuis wat dynamisch tot rust komen door bijvoorbeeld iedere dag de aardappeltjes te schillen in ‘t licht van de Bijbel of van een schemerlamp.

Ik ben er bijna “heilig” van overtuigd dat indien Jozef en zijn hoogzwangere Maria zich met hun huisdieren onder dezelfde barre winterse omstandigheden bij diezelfde receptie hadden gemeld, dan hadden ze dit echtpaar ook de poort gewezen, de Siberische koude in, en had men dientengevolge de andere dag het pasgeboren kindeke, vrijwel zeker doodgevroren, terug kunnen vinden ergens in de struiken langs de Hydeparklaan, de toegangsweg naar HGB. Want dit type Christelijke mensen hebben altijd de mond vol over barmhartigheid, maar in de praktijk zie je daar zelden een

spoor van terug.

Natuurlijk spreekt het wel weer in hun voordeel dat ze geen onderscheid maken of ik me met mijn gezelschap bij de receptie meld of Jozef en Maria.

Vanzelfsprekend vraagt eenieder die dit leest zich af: “Beste Bert hoe kwam je er toch toe om nog zo lang op zo’n minderwaardig park te verkeren?”.

Het antwoord op die terechte vraag is dat ik een groot deel van mijn jeugd heel leuke dingen daar heb meegemaakt, ondanks alle benepenheid of misschien juist wel dankzij de benepenheid van de opeenvolgende campingbeheerders.

Maar al jaren werd het steeds moeilijker iets van die mooie sfeer van vroeger nog terug te vinden.

Waar ooit ons geliefde zelf aangelegde badmintonveldje lag, groeien al jaren bosvreemde struiken en breek je je nek over al die lelijke sleurwagens. De prachtige zandvlaktes hebben plaatsgemaakt voor alleen maar nog meer caravanveldjes. Sleurwagens alom, ook op mijn ooit zo favoriete meisjeskamp.

De hele zomer wordt daar, avond aan avond, tot in de nacht luidkeels gebarbecued en neemt men na afloop gezellig plaats rond een elektrische open haard, waarin je met elektrisch licht beschenen stukjes doek ziet fladderen en de kindjes kunnen zich niet branden aan die haard want hij

geeft geen warmte. Nog triester is het wanneer men zich knus rond een tv-toestel heeft geschaard met daarop het beeld van een knappend haardvuur.

Gezelligheid kent geen grenzen. Wat ben ik blij dat ik de tijd van de kampvuurkuil nog heb meegemaakt met daarin een groot heerlijk ruikend spetterend vuur. Waar je je in het donker nog wat dichter tegen je vriendinnetje aandrukte.

Het bos is ook eigenlijk al lang geen bos meer. Meer dan de helft is gekapt voor steeds meer sleurkarren en alsmaar meer muf ruikende huisjes. Zomers zie je ook zo goed als geen tenten meer staan.

Sinds een paar jaar heeft de emancipatie ook op HGB toegeslagen. Een vrouw met waarschijnlijk sterke knieën zwaait er nu de scepter. Misschien is het wel zo’n blonde Germaanse vrouw met een atletisch gevormd lichaam en misschien doet ze zomers wel haar rondjes over de camping met een zweepje in haar rechter hand.

Ik moet er toch nog weer eens gaan kijken.

EINDE

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/

Copyright © All Rights Reserved