DRINKING ON MY BED

VISITORS

AmazingCounters.com
Bert Plomp, boek "When I was young", verhalen en columns.

 

DRINKING ON MY BED

(met dank aan Jan Verheul voor de foto's)

Bij het luisteren naar “Drinking On My Bed” van Rob Hoeke, gaan mijn gedachten altijd terug naar halverwege de zestiger jaren, toen mijn jongere broer Charles en ik een kamer deelden op de begane grond aan de achterzijde van een zeskamer flat in het tweede blok van het Lodewijk Napoleonplantsoen in Utrecht.

Deze wijk kende een zestal blokken, oftewel flatgebouwen, en tussen iedere twee blokken bevonden zich aan de voorkant - de huiskamerzijde - een toegangsweg en een parkeergelegenheid en bevond zich aan de achterkant – slaapkamerzijde – een groenvoorziening.

Tussen het tweede blok en het derde blok was aan de achterkant voor de kinderen ook nog een zandbak geplaatst.

Omdat onze kamer uitzicht had op de slaapkamers van het derde blok, viel er tegen bedtijd altijd wel wat te genieten en dan bedoel ik te genieten van vrouwelijk schoon, hetzij direct omdat gordijnen opzettelijk of per ongeluk niet goed gesloten waren, hetzij indirect omdat de contouren van vrouwelijk schoon duidelijk zichtbaar afgetekend waren op de slaapkamergordijnen.

Onze kamer had tevens een buitendeur naar de groenvoorziening toe, hetgeen enorme voordelen bood: we konden min of meer komen en gaan wanneer we wilden. Wanneer het ’s zomers warm was en we met de buitendeur open sliepen, waren we gedurende de nacht nog wel eens getuige van schaars geklede mensen die de zandbak of de groenvoorziening hadden uitgekozen voor een wilde partij vrijen.

Overdag in de zomer waren we overigens extra attent omdat het een paar maal was voorgekomen dat kinderlokkers zich eveneens aangetrokken voelden tot het zand en we waren niet te beroerd om, als die gelegenheid zich voordeed, zo’n ellendeling te grazen te nemen.

Onze kamer hing vol met posters van onze favoriete bands: The Rolling Stones, The Beatles, The Who, The Kinks enzovoort. Voorts hingen er visnetten en olielampen alom. Vooral in de winter, wanneer er naast brandende olielampen ook nog een aladdin kacheltje stond te branden, deed de kwaliteit van de lucht niet onder voor die welke men ervaart bij opsluiting in een hangar tezamen met een Boeing 747, nadat de motoren van deze helse machine gedurende een aantal uren binnen voluit hebben staan warmdraaien. Heerlijk die lucht van verbrande kerosine. Op het vliegveld mag ik altijd gaarne onder aan de trap de zaak enigszins traineren om die lucht nog even diep op te snuiven voordat we instappen.

Waar ik thans woon, ruik je alleen zilte oceaanlucht en helemaal geen verbrande kerosine, die zilte lucht schijnt veel gezonder te zijn. Wel probeer ik zo nu en dan nog een olielampje aan te steken, maar dan begint mijn vrouw meestal te mopperen dat ze last krijgt van haar ogen.

Vroeger vond ik het ook altijd aangenaam om in de winter, buiten tijdens het speelkwartier, me op te houden bij het rooster van de doorvoer van de gasgevelkachel van de klas. Daar heerste een aangenaam riekende warme verbrandingsdamp die via het rooster naar buiten kwam. Vaak legde ik mijn wanten op dat rooster terwijl ik tijdens het opwarmen genoot van de damp.

Benzinelucht vind ik ook onweerstaanbaar. Bovendien, indien je last hebt van warme handen, werkt benzine heerlijk verkoelend wanneer je een scheut ervan over je handen gooit. Je moet dan wel uit de buurt blijven van open vuur, want anders gaat het verkoelend effect verloren of beter gezegd: in vlammen op.

Charles en ik hadden op onze kamer ook een zelf ontwikkelde stereo-installatie. Van geld verdiend met een krantenwijkje hadden we bij Radio Schuurman op de Oude Gracht het goedkoopste stereo platenspelertje gekocht dat deze wederverkoper op voorraad had. Daarna kochten wij op de wekelijkse rommelmarkt op het Paardenveld in Utrecht twee oude kolossale mono-radio’s met ingebouwde versterkers en sloten die afzonderlijk aan op de drie draadjes van de platenspeler: “rood met gesplitste aarde” naar de ene radio en “zwart met gesplitste aarde” naar de andere en dan maar hard aanzetten die radio’s en bijvoorbeeld “Drinking on my bed” van Rob Hoeke beluisteren.

We kwamen in die tijd gaarne op de rommelmarkt en we kochten er van alles en nog wat.

Het was nog niet zo lang na de oorlog en er lag van alles te koop dat de “slagvelden had overleefd”: militaire kleding, soldatenkistjes, Duitse helmen, gasmaskers, bajonetten. Kortom teveel om op te noemen.

We kochten er oude damesbontjassen: lekker warm voor op de Tomos, ziekenfondsbrilletjes om er vervolgens zonneglazen in te zetten, vliegeniersjassen, echte bontkragen enzovoort. Allemaal gebruikt spul, gebruikt door ik weet niet wie, maar daar gaven wij in het geheel niet om.

Ook heb ik er eens een volledige soldatenplunje met kistjes en diverse Duitse militaire onderscheidingen, zoals “het eikenloof en zwaarden” voor een schijntje aangeschaft en, met een zeker doel voor ogen, ook nog een kunstbeen met volledige “tuigage”.

In een lollige bui heb ik me eens op een drukke zaterdagmorgen, gehuld in mijn oorlogsplunje en met een aangesnoerd kunstbeen, op de stadhuisbrug in het historische centrum van Utrecht naast de ingang van het stadhuis tegen de muur genesteld, met een omgekeerde helm – niet zijnde een foute helm - voor mij op het trottoir geplaatst met wat geld erin.

Mij was het toen al bekend dat mensen eerder geneigd zijn om wat geld in die helm te deponeren indien er al geld in zit en ook dat, indien er papier geld in zit, mensen bereid zijn een groter offer te brengen. Dat fenomeen heb ik opgemerkt toen ik nog wel eens op heel jonge leeftijd gedwongen werd de gang naar de kerk te maken en aldaar vaststelde dat de collectant reeds wat rijksdaalders en papier geld in de collectezak had gestopt voordat hij zijn ronde bij mij begon.

Voor deze gelegenheid had ik wat Duits papier oorlogsgeld – eveneens voor bijna niets op de rommelmarkt gekocht – op de bodem van de helm gedeponeerd en had ik onze trouwe viervoeter Teddy meegenomen, die plaats nam naast de helm.

Teddy was een Chow Chow hond: een keesachtige poolhond met ietwat treurige ogen en uitermate geschikt voor de job. Teddy kon niet alleen treurig kijken, maar, wanneer de situatie daarom vroeg, ook flink van zich af bijten.

Om het geheel compleet te maken, had ik mijn mondharmonica meegenomen en speelde ik onafgebroken het oorlogsdeuntje van “Lili Marlene”.

Tot mijn grote verrassing liep de helm in een paar uur tijd behoorlijk vol en nam het belang van de aanwezigheid van Teddy evenredig toe.

Toen ik dacht dat het zo wel genoeg was, moest ik zonder veel aandacht te trekken de kuierlatten nemen en me ongemerkt ontdoen van mijn prothese. Toen ik daarin bijna geslaagd was en aanstalten maakte de inhoud van mijn helm veilig op te bergen, zag Teddy plotseling wel been in mijn prothese en ging er als een haas mee vandoor de Oude Gracht op richting Camera bioscoop.

Snel borg ik het geld veilig op, want ja, in die tijd had je ook al individuen die het niet zo nauw namen met andermans zuur verdiende centjes, en spoedde mij achter Teddy aan.

Al spurtend over de gracht, ontmoette ik verontwaardigde blikken van mensen, die mij wellicht niet lang daarvoor op de Stadhuisbrug nog menslievend bedeeld hadden.

Toen ik in de buurt van de Bezembrug kwam en Teddy bijna op de hielen zat, verkoos hij het de trap naar beneden te nemen en de werf op te gaan.

Eenmaal beneden gearriveerd, met mij in zijn kielzog, sprong die dondersteen tot overmaat van ramp met prothese en al in de gracht en zette als een speedboot koers richting overkant.

Hoewel Teddy snel zwom, was ik via de brug - ik kon me toen al snel uit de voeten maken zonder handicap - vrijwel gelijk met hem aan de overkant, alwaar ik hem uit het water moest vissen omdat de kade te hoog voor hem was en bij welke actie Teddy van schrik mijn prothese in het water liet vallen.

Bij deze reddingsoperatie werd ik eveneens drijfnat en verloor ik bovendien enkele van mijn indrukwekkende oorlogsonderscheidingen. Voorts zag ik, op de tonen van "Drinking on my bed" van Rob Hoeke, welke tonen tot mij kwamen vanuit mijn favoriete beatkelder in die dagen "de Cavern", mijn lucratieve kunstbeen met tuigage en al, meegevoerd op het kabbelende grachtenwater, aan de horizon verdwijnen onder de Stadhuisbrug.

Eenmaal aan de kant, schudde Teddy zich eens flink uit, zodat hij weer zo goed als droog was en begon hij enthousiast te kwispelen met een uitdrukking op zijn koppie van: "Zo baas, wat gaan we verder nog doen vandaag?"

Voor mij zat er niets anders op dan me samen met Teddy huiswaarts te spoeden en een droge burgerkloffie aan te trekken, na een overigens toch wel geslaagde “militaire operatie”.

EINDE

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/

 

Copyright © All Rights Reserved