DE KIKKERPROEF VOOR MOGELIJK ZWANGERE MEISJES

VISITORS

AmazingCounters.com
Bert Plomp, boek "When I was young", verhalen en columns.

DE KIKKERPROEF

 

Studerende broer Theo had in zijn jeugd, net als ik, diverse baantjes om wat extra’s te kunnen toevoegen aan een verder sober bestaan. Eén van die baantjes was het wassen van auto’s. Zijn voornaamste “wasklant” was ene meneer Jansen, wonende in het “derde blok” van het Lodewijk Napoleonplantsoen in Utrecht. Meneer Jansen was oprichter en eigenaar van het zogeheten huisartsenlaboratorium, gelegen aan de Burgemeester Reigerstraat. Uit dien hoofde had hij een meer dan modaal inkomen te besteden en kon hij zich eind vijftiger jaren van de vorige eeuw het bezit van een heuse Amerikaanse Cadillac veroorloven.

Theo waste die slee iedere zaterdag en deed dat met zoveel toewijding dat hij niet alleen rijkelijk beloond werd met een ouderwetse zilveren gulden per wasbeurt maar ook naar verloop van tijd gevraagd werd werkjes op het huisartsenlaboratorium zelf te verrichten. Een waanzinnig grote promotie dus.

Op dit laboratorium van meneer Jansen werd Theo belast met de zeer verantwoordelijke taak van het kweken van kikkers. Die kikkers werden gekweekt om te worden gebruikt, beter gezegd misbruikt, voor de zogenaamde “kikkerproef”. Door een kikker te injecteren met de urine van een meisje dat mogelijk zwanger was, kon men na verloop van tijd aan de eventuele verandering van de zwemvliezen van de ongelukkige kikker zien of het meisje onvoorzichtig was geweest c.q. haar doel had bereikt of dat er helemaal niets aan de hand was.

Voor de goede orde: mijn broer had dus niets te maken met het opvangen van de urine van de desbetreffende meisjes, met het injecteren van de kikkers of met het vaststellen van enig resultaat. Met de mogelijke zwangerschap van zo’n meisje had hij sowieso niets van doen, daar was hij nog veel te bescheiden en te terughoudend voor. Hij was uitsluitend belast met de “productie” van kikkers. Wat er met de behandelde kikkers na afloop van de test gebeurde, is mij niet bekend. Ik moet onze noeste kweker daarover nog eens om opheldering vragen.

Op grond van zijn goede ervaringen met Theo, meende de heer Jansen dat de overige leden van het gezin Plomp wel eens uit hetzelfde betrouwbare hout zouden kunnen zijn gesneden. Dientengevolge werkte in een mum van tijd de hele familie voor de heer Jansen, al dan niet op het laboratorium. Zo werden er thuis in het Lodewijk Napoleonplantsoen vele postverzendingen gereed gemaakt: berichten bestemd voor huisartsen, over het hele land verspreid. Mijn vader zat zich wezenloos te typen achter een ouderwetse typemachine om iedere enveloppe van een adres te voorzien. De andere leden van het gezin vouwden de brieven en voegden die in de getypte enveloppen om deze ten slotte, voorzien van een postzegel, te overhandigen aan het postbedrijf. Zo nu en dan verdween er wel eens een aantal ongestempelde postzegels in mijn postzegelcollectie. Een kniesoor die daar een punt van maakt.

Op het lab had ik inmiddels ook een baantje gekregen. Waar broer Theo druk doende was met zijn kikkers, was ik in een heel ander deel van het pand verantwoordelijk gemaakt voor het kweken van torren. Dat kweken gebeurde In grote bakken, gevuld met een soort zaagsel. Deze bakken werden verlicht en verwarmd door een hele batterij infraroodlampen en het krioelde in die bakken van de larven en de torren. Mijn werk bestond eruit dit hele krioelende circus een beetje fris te houden en de volgroeide torren van de rest te scheiden. Het was een vochtig, warm en onaangenaam riekend gebeuren. Waar de torren uiteindelijk hun eindbestemming vonden, daar kan ik slechts naar gissen. Het valt bepaald niet uit te sluiten dat broerlief de vrucht van mijn arbeid één voor één aan zijn kikkertjes heeft zitten voeren.

Naast de reeds genoemde klusjes, hadden mijn ouders een vaste bijbaan bij Jansen op het laboratorium. Aan het einde van haar werkdag thuis, spoedde mijn moeder zich op haar indrukwekkende solex naar het laboratorium om aldaar tal van schoonmaakwerkzaamheden te verrichten. Zodra mijn vader gereed was met zijn verzekeringswerk, ging ook hij naar de Burgemeester Reigerstraat om haar te assisteren.

We hebben veel te danken aan de heer Jansen en zijn laboratorium en omgekeerd. Na een aantal jaren verliet Jansen zijn eenvoudige flat in het Lodewijk Napoleonplantsoen en betrok zijn nieuwgebouwde villa aan de oevers van de Kromme Rijn in Bunnik.

Aan de “vruchtbare” samenwerking met Jansen kleefde mogelijk - zeer zacht uitgedrukt - één smetje, namelijk dat mijn beide ouders, in navolging van de kikkers en andere wezentjes, ook eens deel uitmaakten van Jansens laboratoriumproefjes. Ze hebben ooit beiden deelgenomen aan een proef om af te vallen op basis van toediening van een experimentele hormonenkuur. Mijn vader heeft daaraan waarschijnlijk “K” overgehouden, zo werd de vreselijke ziekte kanker toentertijd in de volksmond genoemd. Kanker was een dusdanig angstaanjagende ziekte, dat men het woord niet eens durfde uit te spreken, bang als men in die dagen was dat, door het woord alleen al in de mond te nemen, deze ziekte zich aldaar zou kunnen nestelen.

 

EINDE

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/

Copyright © All Rights Reserved