DE KLOKKENLUIDER VAN DE DOMTOREN

 

DE KLOKKENLUIDER VAN DE DOMTOREN

Nee, dit verhaal is geen Utrechtse versie van de beroemde klokkenluider van de “Notre-Dame” in Parijs. Het verhaal gaat dus niet over een lelijke Utrechtse gebochelde, zoals Quasimodo, die bovendien eenogig en doof was. Het verhaal gaat dus jammer genoeg ook niet over een appetijtelijke Utrechtse Esmeralda, die werd beschuldigd van hekserij en die door de dappere Quasimodo, tussen zijn drukke werkzaamheden als klokkenluider door, te vuur en te zwaard verdedigd werd in de torens van de “Notre-Dame”. Dit verhaal gaat echter wel over onze eigen onvolprezen Domtoren in het centrum van de stad Utrecht en dus het centrum van het centrum van ons land markeert en dit verhaal gaat over zijn klokkenluiders, al heb ik geen flauw idee wie daar momenteel – en evenmin voorheen – aan de touwtjes trekken. Dit verhaal gaat ook over heel andere klokkenluiders, veel minder moedig dan onze Quasimodo. Maar daarover later iets meer.

Wanneer ik in Utrecht ben, mag ik ’s morgens, indien het weer zonnig is, graag plaats nemen op het terras van Graaf Floris op de Vismarkt met uitzicht op de Domtoren. Al zittend in het zonnetje, bestel ik dan veelal een groot stuk appeltaart met een ruime hoeveelheid slagroom en een grote caffè latte macchiato, gevolgd door nog zo’n latte en, hoewel vroeg op de dag maar ik laat mij de wet niet voorschrijven door “de anti- alcohol lobby”, een glaasje Cointreau. Onderwijl luister ik dan, afwisselend een slokje koffie en een slokje Cointreau nemend, met toenemend plezier naar de muzikale kunsten van de beiaardier op de Domtoren en observeer ik aandachtig de onophoudelijke stoet van mensen en dieren die voor mijn tafeltje voorbijtrekt op de smalle Vismarkt.

Het is bijna onvoorstelbaar dat die dichte bonte kluwen van voetgangers, fietsers, brommers, kinderwagens, kinderbakfietsen en viervoeters, die van weerskanten van de Vismarkt op elkaar afstevenen, dat die kluwen van individuen niet echt brokken maakt en dat die zich niet bezondigt aan echt grote scheldpartijen bij onvermijdelijk onderling lichamelijk contact. Het zal allemaal wel te maken hebben met de kalmerende werking van de klanken die de beiaardier met het klokkenspel over hun hoofden uitstrooit.

Hier in Ierland aan de kust, de plek waar ik woon, hoor je geen klokken. Je hoort er uitsluitend het luid gebulder van de reusachtige Atlantische golven die op de cliffs voor ons huis beuken, vermengd met het “gekrijs” van zwermen zeemeeuwen en andere grotere zeevogels zoals gannets: jan-van-genten. Als het hier flink waait, en dat doet het regelmatig, dan komt het toch voor dat ik iets hoor dat op klokkengelui lijkt: het geluid is afkomstig van de grote scheepsbel die buiten bij de deur is bevestigd en die door de wind in beweging is gekomen. Maar ja, dat geluid ontbeert toch de historische klank van een eeuwenoude klok als die van de Domtoren.

Ik mag ook gaarne op het terras aan de Vismarkt zitten omdat ik op diezelfde plek vroeger mijn postzegeltjes tegen een bescheiden winst verhandelde en die winst, na afloop van de postzegelmarkt, in de directe omgeving omzette in een grote zak patat met een flinke scheut mayonaise en vanzelfsprekend vergezeld gaand van een ouderwets flesje cola. Daartoe begaf ik me meestal naar een cafetaria annex automatiek, Rutex geheten als ik me niet vergis, gevestigd op de hoek Haverstraat-Oude Gracht, alwaar destijds ook verrukkelijke ragouteieren, croquetten, nasiballen, bamiballen en wat dies meer zij “uit de muur te trekken” vielen. De ragouteieren vormden voor mij echt een ware delicatesse. Zo’n ei was eigenlijk een flinke ovaalvormige croquet met een hard gekookt gepeld ei in de kern van de croquet.

Deze eetgelegenheid was vooral populair onder leerlingen van de toenmalige Regentesseschool aan de Hamburgerstraat en onder het personeel van de arrondissementrechtbank, eveneens aldaar tegenover de school gevestigd. Toen de Regentesseschool verkaste naar Overvecht, was het snel gedaan met de automatiek en maakten de snacks plaats voor stripboekjes en dergelijke. Ter plekke, onder aan de werf, overigens, was in die tijd de legendarische jazzclub Persepolis gevestigd, alwaar mijn vrienden en ik heel wat uurtjes swingend hebben doorgebracht.

Nog een andere reden dat ik gaarne aan de Vismarkt vertoefde, was, dat ik in mijn schooltijd veel spijbelde of uit de klas verwijderd werd omdat mijn haar te lang was of omdat ik me weer eens brutaal had gedragen of brutaal had gekeken of een combinatie ervan. In zo’n situatie toog ik dan naar het Hanengeschrei. Vroeger was daar in een hoekpand aan de gracht een soort café gevestigd en in het keldergedeelte van dat café, gezeten aan een tafeltje aan het raam, met mijn neus vrijwel direct boven het wateroppervlak van de Oude Gracht, speelde ik aldaar menig partijtje schaak samen met een lotgenoot en, bij open raam in de zomer, genoot ik van de bijzondere lucht van het grachtenwater, dat een heerlijke geur verspreidde van rottende bladeren vermengd met een zweempje rioollucht.

Zo mijmerend op de Vismarkt, hoorde ik ook zo nu en dan het getoeter van een schuit van de gemeentereinigingsdienst, welke schuit onder de brug van de Vismarkt uit het zicht verdween en waarvan de schroef van de buitenboordmotor wederom die lucht van grachtenwater deed opstijgen, maar dan vermengd met de lucht van verbrande stookolie, welk mengsel me nog meer in vervoering bracht en mij deed terugdenken aan de tijden dat wij als kwajongens regelmatig een oude geparkeerde fiets over de balie van de Stadhuisbrug aan het water van de Oude Gracht toevertrouwden en dat we eens in de zoveel weken dezelfde schuit van de gemeentereiniging voorbij zagen varen met een hele berg uit de grachten opgeviste fietsen.

Als op een gegeven moment, tijdens een slokje Cointreau, de klok van de Domtoren elf slaat, herinner ik me weer dat ik samen met een paar vrienden een keer ’s avonds de Domtoren heb beklommen via het inwendige trappenstelsel en in een toestand van op z’n minst lichte beschonkenheid tussen de wijzers van het uurwerk van de klok verkeerde en naar beneden stond te brallen en heel veel geluk heb gehad dat ik niet vanaf pakweg 60 meter hoogte beneden op het eveneens vermaarde Domplein te pletter ben gevallen. Ofschoon er zeker minder tot de verbeelding sprekende plekken zijn om aan je einde te komen, ben ik daarvan gelukkig toch verschoond gebleven.

Zo ook, toen ik in mijn jonge jaren wat geld bijverdiende met het plaatsen van antennes op daken voor de ontvangst van de razend populaire televisie-uitzendingen, verzorgd vanaf het REM-eiland, van TV Noordzee. TV Noordzee bracht in die dagen buitenlandse series als “Zorro”, “Mr Ed, het sprekende paard”, “Rin Tin Tin”, “De onzichtbare man” en “The Saint” op de buis. Iedereen wilde zo’n REM-antenne op zijn dak hebben en een vriend en ik zagen daar wel brood in en boden aan die antennes tegen een redelijke vergoeding te plaatsen in de buurten waar wij woonden in Utrecht. Het was een hele klus om die antennes te plaatsen op sommige daken en om ze ook nog eens goed af te stellen. Het gebeurde in een tijd dat de kwaliteit van het televisiebeeld enigszins verbeterde, indien iemand zich ophield aan de achterzijde van de televisie of met zijn hand het apparaat beroerde en het beeld aanzienlijk verslechterde indien buurvrouw een aanvang maakte met haar dagelijkse stofzuigrondje door het huis. En indien je alleen thuis was en fatsoenlijk televisie wilde kijken, kon je je moeilijk voor een fatsoenlijk beeld de hele avond achter het toestel opstellen, want dan zag je immers nog niets, tenzij je een spiegel op een stoel voor de televisie plaatste, maar dan moest je weer van rechts naar links kunnen lezen. Kortom een heel gedoe.

Op zo’n antennekarwei in de winter, ergens in de Johannes Vermeerstraat, waren mijn kameraad en ik op een stijl “beijzeld” dak op weg omhoog naar de schoorsteen, met de REM-antenne met toebehoren en gereedschappen onder de armen, toen ik uitgleed en me nog net op tijd aan een dakraam kon vastklampen en zodoende voorkwam dat ik te pletter zou vallen op het stenen terras in de achtertuin van de desbetreffende woning. Nog krijg ik er hartkloppingen van als ik daaraan terugdenk en het beeld voor ogen krijg dat ik daar roerloos op de klinkertjes lig met mijn hoofd in een plas bloed en de klok van de Domtoren rustig doortikt alsof er niets aan de hand is, zoals die klok dat al eeuwen doet ongeacht wat er zich beneden op de begane grond van de stad afspeelt, en de beiaardier gewoon doorgaat met het spelen van vrolijke deuntjes op het carillon en mijn vrouw en kindje thuis, onwetend van dit onheil, rustig doorgaan met spelen met de blokkendoos, gezeten voor een behaaglijk warme haard. En dan ineens, te midden van die miserabele beelden, kom ik tot het blijde besef, dat Onze Lieve Heer heel iets anders met mij voorheeft dan mij te pletter laten vallen, namelijk dat ik leuke stukjes blijf schrijven over Utrecht en over de stand van zaken in het land.

Het geluid van het carillon roept ook herinneringen in mij op aan de gelijknamige jongerensoos “het Carillon”, toentertijd, in het begin van de zestiger jaren, gevestigd vlakbij de zijingang van de Domkerk, aan het begin van de Domstraat. Onder het genot van een bekertje koffie verbleef ik daar urenlang na schooltijd en genoot van de eerste plaatjes van The Beatles en The Rolling Stones. Het was ook daar bij het Carillon, dat ik in levenden lijve in 1961 de intocht van Anton Geesink meemaakte, na het behalen van zijn historische wereldtitel in Parijs en hem in een open rijtuig voorbij zag trekken, gelijk Gaius Julius Caesar in Rome na het winnen van de Slag bij Alesia.

Met het imposante geluid van de grote klok van de Domtoren, die al weer twaalf sloeg, kwam er ook een einde aan die zoete herinneringen en kwam ik tot het besef dat er ook nog andere “klokkenluiders” bestaan, namelijk individuen die er plezier in hebben hun kameraden van weleer een loer te draaien door ze aan te geven of door ze zwart te maken: “ze in een ongunstig licht plaatsen” is tegenwoordig misschien wel correcter om te zeggen.

We zien dat fenomeen tegenwoordig bij zakenlui, bij wielrenners, bij voetballers en ga zo maar door. Individuen die zelf zich schuldig hebben gemaakt aan allerlei kwalijke praktijkjes, die lappen hun oude kameraden erbij voor persoonlijk gewin en om de ernst van hun eigen wangedrag af te zwakken door dat gedrag te plaatsen binnen een collectief wangedrag. Ik moet zeggen dat ik niet zoveel op heb met zulke individuen. Ik hou er sowieso niet van dat mensen elkaar verlinken. Het roept bij mij DDR-achtige beelden op en het doet me denken aan de dagen dat de joden grootschalig verraden werden en afgevoerd werden naar die afgrijselijke concentratiekampen. Je moest wel heel diepgezonken zijn indien je aan zoiets meewerkte. Nederland “scoorde” in dat opzicht wel opvallend hoog, heb ik tot mijn grote spijt moeten opmaken. Veel hoger dan bij deelname aan menig Eurovisiesongfestival.

Tegenwoordig worden mensen flink aangespoord openlijk of anoniem misdadigers c.q. misdaden te melden. Indien het om serieuze misdaden gaat, is dat toe te juichen. Het getuigt van dapperheid, vind ik, indien je dat doet, want de consequenties kunnen voor de aangever en zijn gezinnetje ernstig zijn. Waar ik echt een hekel aan heb, dat is aan individuen die anderen rapporteren of consequent op de vingertjes tikken omdat zij zich niet strikt aan de in Nederland zo talrijk aanwezig zijnde regeltjes hebben gehouden. Voor mij is dat bepaald niet het type individuen dat Nederland groot heeft gemaakt, laat staan nog groter zal maken. Voor mij zijn dat eenvoudige, laag-bij-de-grondse “microbenneukers”.

Onlangs kwam ik zo’n individu op Facebook nog tegen.

Hij klaagde over de inhoud van mijn stukje “De inzet van kindsoldaatjes in Nederland”, geplaatst op een Utrechtse FB-pagina.

Hij vond dat stukje niet Utrechts genoeg, terwijl ik daarin nota bene Claudia de Breij, bij wijze van spreken, de hemel in prees. De werkelijke reden van zijn klagen zal wel zijn geweest dat de inhoud van het stukje niet strookte met zijn eigen opvattingen, dus rapporteren en blokkeren.

Het betrof een persoon van ver buiten de stadspoorten van Utrecht, die weliswaar een paar jaar in Utrecht op school had gezeten en op grond daarvan meende corrigerend te kunnen optreden tegenover iemand, die – afgezien van zijn geboortedag – 55 jaar lang de Utrechtse gelederen versterkte en reeds op vierjarige leeftijd met zijn kop tussen de draaideur verkeerde van het alom vermaarde Hotel-café-restaurant "Smits" aan het Vredenburg en die menigmaal de Utrechtse FB-lezer met verhaaltjes en columns vermaakte dan wel irriteerde, hetgeen eigenlijk eveneens een vorm van vermaak is.

Een persoon die enerzijds een beroep deed op de rekkelijkheid van de leden van deze Utrechtse groep omdat hij op basis van preciesheid niet echt voldeed aan de norm “Je bent Utrechter (geweest)”, hetgeen een vereiste is om je aan te sluiten bij die groep en een persoon die zich anderzijds bediende van preciesheid in zijn optreden naar anderen toe.

Niet echt een Utrechts karaktertrekje, dunkt mij.

Nadat hij mijn stukje had gerapporteerd en zodoende uit de desbetreffende Utrechtse etalage had weten te dringen, verscheen aansluitend zijn eigen mierzoete stukje over Utrecht op de plek waar mijn stukje eerder had gepronkt.

Ook op een later berichtje van mijn zijde "Wordt ook lid van mijn groep" reageerde hij "heel inhoudelijk" met: "Wordt" schrijf je zonder "t".

Toen ik hem eraan herinnerde dat het hier om de imperativus pluralis (gebiedende wijs meervoud) ging, oftewel "stam plus t", was zijn onthutsende reactie: "dat is ouderwets taalgebruik".

Ja, we zijn inderdaad op weg de Nederlandse taal steeds verder te laten verloederen. Daarom tot slot, speciaal voor mensen die schik hebben in anderen te rapporteren, een ouderwets stukkie Utregs:

"Je wor áltijd overreeje door een strontkar, noait door een bloemenkar".

Copyright © All Rights Reserved